Zingende tuinvogels

Het is de zomerdip die tuinliefhebbers niet met planten kunnen oplossen: als onze tuinvogels niet meer zingen. Wat missen we hun gezang! Maar het leuke van tuinieren is dat je nu al bezig kunt zijn met volgend jaar. Door de tuin vogelvriendelijk in te richten bijvoorbeeld. Met de winter in zicht hebben nestkasten prioriteit. Om succesvolle bewoning te krijgen, moeten nestkasten op tijd opgehangen worden en ook op een goede plek hangen. Door dat in de herfst te doen ontdekken vogels de kasten op tijd tijdens het voedsel zoeken. Ze gebruiken ze in de winter om te schuilen voor slecht weer en in het voorjaar zijn ze er als eerste bij om in te broeden! Een goede plek is vooral niet zonnig. Dan wordt het binnenin te heet voor eieren en jonge vogels. Een noord- of noordoostkant van gevel, pergola of boomstam is ideaal. Of heel koel en beschut tussen gebladerte van klimop of klimhortensia. En vanzelfsprekend buiten bereik van katten. Niets maakt een tuin zo levendig als het af en aan vliegen van voerende koolmezen, winterkoninkjes of roodborsten.

Begin januari, bij zacht weer hoor je de eerste zingende koolmezen. Wat een voorjaarsgevoel! Hoe werkt dat ook alweer precies met voorjaar en vogelzang? Daar is veel onderzoek naar gedaan. De koolmees heeft – net als andere zangvogels – een complex, ingebouwd mechanisme dat mannetjes en vrouwtjes voorbereid op het voortplantingsseizoen. De toenemende daglengte is daarvoor hèt cruciale signaal. Licht wordt waargenomen via het oog en in de hersenen stimuleert dat de productie van neurohormonen. Die hormonen prikkelen verschillende organen, zoals de geslachtsorganen die zich ontwikkelen voor de voortplanting. Maar ook de spiertjes van het spraakorgaan van de vogel (syrinx) worden geprikkeld: de vogel gaat zingen.

Elke vogel zingt het lied van zijn soort. Deze soortspecifieke zang is deels erfelijk vastgelegd, maar moet ook geleerd worden. Jonge vogels moeten de zang van een mannetje (meestal hun vader) horen binnen twee maanden nadat ze uit het ei komen. Daarna moet een jong mannetje nog veel oefenen om het zo goed te kunnen dat hij rivalen vocaal de baas is en dat een vrouwtje hem kiest. Uit onderzoek bleek dat dialecten heel normaal zijn: Hengelose koolmezen zingen hun lied altijd net een beetje anders dan Deventer koolmezen.